UTRECHT INVESTEERT IN HET JONGE KIND

De gemeente Utrecht wil kwaliteit van het VVE-aanbod verhogen. Dat doet ze door middel van subsidies aan wijkwelzijnsorganisaties en schoolbesturen en door discussies op gang te brengen.

Tekst: Lisette Blankestijn

Binnen de Utrechtse Onderwijs Agenda werkt de werkgroep het Jonge kind aan een kwaliteitsverbetering van de Voor- en Vroegschoolse Educatie (VVE). Sterke basis, goede start –dat is het motto. Achterstanden mogen niet meer van generatie op generatie worden doorgegeven. Ina Vugts is coördinator Het Jonge Kind/VVE binnen de Dienst Maatschappelijke Ontwikkeling van de gemeente Utrecht en trekker van de werkgroep Het jonge kind. Ze vertelt waarom de ontwikkelingsperiode van 0-6 jaar zo belangrijk is.

Ontwikkeling basisvaardigheden
Ina Vugts: “Sinds een jaar of 10 is er veel meer kennis over de hersenontwikkeling van kinderen. Daardoor weten we dat de ontwikkeling van belangrijke basisvaardigheden piekt vóór het vijfde levensjaar. In die periode wordt de basis gelegd voor het ontwikkelen van taal en rekenen, sociale vaardigheden en ‘emotional control’ (metacognitie):

Bron: OECD rapport Starting Strong III  

Deze kennis is leidend voor onze werkgroep Het jonge kind. Iedereen is hierdoor doordrongen van het belang van goede ontwikkelingskansen voor jonge kinderen – in het bijzonder de VVE-peuters. Alle werkgroepleden vragen zich af: wat betekent dit voor mij?”

Rendement
Voor de gemeentelijke overheid komt hierbij dat investeren in de voorschoolse periode heel rendabel is, vertelt Ina Vugts.“Iedere euro die je in deze periode investeert levert 7 tot 9 euro rendement op. Dat rendement is heel hoog, vergeleken met bijvoorbeeld op latere leeftijd investeren in jobtraining.”

Bron: Heckman and Masterov, 2007

Bereik
Op dit moment maken ruim 1000 Utrechtse peuters per jaar gebruik van de VVE. Ina Vugts: “De gemeente wil graag zoveel mogelijk peuters bereiken. De ambitie is 95% bereik vóór 2015. De consultatiebureaus hebben een belangrijke rol bij de indicering. Zij beoordelen of een kind in aanmerking komt voor VVE. Als dat het geval is proberen ze de ouders en welzijnsorganisatie aan elkaar te koppelen. Wij willen natuurlijk geen peuter verliezen.”

Kwaliteit
De gemeente stuurt op de kwaliteit van het aanbod, door middel van subsidies aan wijkwelzijnsorganisaties en schoolbesturen en door discussies op gang te brengen. Wat is kwaliteit? Wat ‘werkt’? Wat is er nodig? Daarover zijn de Universiteit Utrecht (Prof. dr. Paul Leseman), Hogeschool Utrecht (Kobi Wanningen) en de mensen uit het veld met elkaar in gesprek gegaan. Het resultaat van die verkenning staat in het Utrechts Kwaliteitskader voor educatie van het jonge kind. Startpunt is de kwaliteit van de professional, dat stond al gauw vast. Ina Vugts: “De professional op de groep moet bijvoorbeeld zorgen voor een positieve sfeer en warme relaties, een gevoelig oog hebben voor de behoeften van kinderen, voorlezen en bij alles tellen en meten. Maar de professional doet zijn werk niet alleen. De kwaliteit van het team en de instelling is ook belangrijk: goede VVE vraagt om toegeruste professionals die hun werk doen in lerende organisaties. Dat betekent ook dat instellingen en scholen onderling kennis moeten uitwisselen.”

Taal
Speciale aandacht gaat uit naar het taalcurriculum van 2- tot 8-jarigen. “In de referentieniveaus is vastgelegd wat een kind aan het eind van groep 8 moet weten, maar zonder tussendoelen is dat veel te grof”, vertelt Ina: “Voor de VVE is het belangrijk om te weten welke tussenliggende stapjes er zijn. Waar moeten de kinderen zijn einde groep 4, en dus einde groep 2 en ideaaltypisch dus einde voorschoolse periode? Op die manier weet je waar je naar toe moet werken. Het CPS heeft samen met mensen uit het veld die tussendoelen ontwikkeld. Daarbij hebben we nadrukkelijk aangegeven dat het streefdoelen zijn. Veel kinderen komen met grote achterstanden binnen en die kunnen dan niet al aan het einde van de peuterperiode ingehaald zijn. Bij die kinderen werkt je toe naar het behalen van de taaldoelen einde groep 2 of soms zelfs pas einde groep 4.”

Het sociale domein: Ouderbetrokkenheid en zorg
Daarnaast vindt de gemeente het belangrijk dat de voorzieningen goed zijn afgestemd op het sociale domein. Ina Vugts: “Ouderbetrokkenheid kan veel opleveren, dat zagen we al bij de FAST-pilot in Leidsche Rijn. Voor de Wijkwelzijnsorganisaties en scholen is ouderbetrokkenheid een thema dat nu volop in de belangstelling staat en waarop men met een verdiepingslag bezig is. Wat de interne zorgstructuur bij de peutergroepen betreft is Utrecht een voorbeeld voor andere steden. We werken hierbij samen met de Universiteit en straks wellicht ook met de Hogeschool in een zeer beloftevolle aanpak, PeuterPlus!"

De Utrechtse situatie
Alle steden hebben een lokale educatieve agenda. Iedere gemeente geeft op de eigen manier vorm aan het peuterwerk en de VVE. Onderzoek van Geert Driessen laat zien dat dat op heel verschillende manieren gebeurt. Ook Utrecht doet dat vanuit de eigen opgaven en kansen. Ina legt uit wat Utrecht typeert: “Van de vier grote steden is Utrecht de kleinste, en ons speelveld is redelijk overzichtelijk: Utrecht kent drie grote schoolbesturen en een paar kleinere, en drie wijkwelzijnsorganisaties voor het peuterwerk. Die laatste fuseren in augustus 2013 bovendien tot één organisatie. Dat maakt de samenwerking tussen het voorschoolse veld en de basisscholen nog makkelijker. Om als gemeente de regie te kunnen voeren werk ik volgens de wetten van de polder: overtuigen, uitlokken, verbinden, stimuleren. De gemeente heeft geen middelen om samenwerking af te dwingen. Maar wij prijzen ons in Utrecht gelukkig dat we te maken hebben met partijen die stuk voor stuk hun verantwoordelijkheid nemen, gaan voor de inhoud en de samenwerking zoeken. Wij zijn in Utrecht zelf ook een lerende organisatie. Als werkgroep Het Jonge Kind zoeken we steeds gezamenlijk naar de best mogelijke oplossing voor een probleem. En we zijn dan ook niet te verlegen om elkaar ergens op aan te spreken. Of om te constateren dat het toch anders moet”.

Professionals
Tot nu toe richten de activiteiten van de werkgroep zich op de ‘zittende professionals’. Ina Vugts: “De ontwikkelingen in het veld gaan nu heel snel. Het Rijk stimuleert meer inzet van hbo-ers in de VVE. Zij heeft daarover afspraken gemaakt met de gemeenten. Dus nu kijken de gemeente, maar ook de nieuwe organisatie peuterwerk en de schoolbesturen, naar de lichting professionals, die nu opgeleid wordt. Die moet echt bekwaam zijn, waar het om het jonge kind gaat. En dan heb ik het niet alleen over nascholing bij het Seminarium voor Orthopedagogiek, maar ook over de initiële opleidingen. De roc’s en pabo’s besteden in het curriculum nog niet genoeg aandacht aan het jonge kind. Er zijn wel wat minors, maar dat is niet voldoende. Het is belangrijk dat niet alleen de leerkrachtenteams op de basisscholen maar ook toeleverende beroepsopleidingen begrijpen waarom het Jonge kind prioriteit moet krijgen. Dat zij als het ware de grafieken die eerder in dit artikel staan echt tussen de oren hebben. De beste mensen moet je inzetten op de jongste kinderen! Gelukkig zijn de Marnix Academie en de HUpabo met elkaar in gesprek. Weten en kunnen, daar gaat het om. Ik wil erg graag dat er een doorgaande leerlijn komt voor de professionals die met jonge kinderen werken, van mbo naar hbo-bachelor tot master. Zodat professionals zich steeds verder kunnen ontwikkelen.”

Droom
Hoe ziet de toekomstdroom van Ina Vugts eruit? “Mijn droom voor de toekomst is dat ieder kind krijgt wat hij nodig heeft om zijn talenten te ontwikkelen. Dat achterstanden niet meer doorgegeven worden. Daarvoor is een doorgaande lijn nodig, waarbij professionals en ouders samen vroeg beginnen. Die lijn eindigt bij de volwassenheid, als het kind een individu is dat zijn eigen keuzes kan maken.”

Alhoewel het Utrechtse beroepenveld doordrongen lijkt van het belang van een kwaliteitsslag in de VVE, blijft het spannend of dat lukt. Ina Vugts: “We staan voor een complexe opgave, en de tijdsdruk is hoog om de opbrengsten van VVE te bewijzen. De maatschappij wil terugzien wat investeren in het jonge kind oplevert, bijvoorbeeld via hogere Citoscores. Maar je praat over veranderingen in het professioneel handelen van mensen en over curriculum-aanpassingen. Zulke grote veranderingen kosten nu eenmaal tijd. Een risico blijft ook de neiging om het allemaal zo zuinig mogelijk te willen doen. Internationaal noemen ze dat ook wel de ‘Dutch disease’. Maar kwaliteit is essentieel voor het halen van opbrengsten; het kan niet op een koopje. Effectieve VVE vraagt om goed gekwalificeerd personeel, een dubbele bezetting op de groep, en kinderen die daar minimaal 10 uur per week naartoe gaan. Met minder kan het niet.”


Deze website maakt gebruik van cookies. Klik hier voor meer informatie.

Sluiten